Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

In dialoog met iedereen

Tags: Naastenliefde, Apostolaat
Dit alles sprak Jezus tot het volk in gelijkenissen. (Mt 13,34)

“De Heer beperkt zijn dialoog niet tot een klein, uitgelezen gezelschap: Hij spreekt met iedereen. Met de heilige vrouwen, met grote menigtes; met vertegenwoordigers van de hogere sociale klassen van Israël zoals Nicodemus en met tollenaars zoals Zacheüs; met mensen die vroom beschouwd werden en met zondaars als de Samaritaanse vrouw; met zieke en gezonde mensen; met de armen, die Hij in het bijzonder liefhad; met de wetgeleerden en met de heidenen, wier geloof Hij boven dat van Israël prijst; met ouderen en kinderen.

Jezus onthoudt niemand zijn woord dat geneest, troost en verlicht. Hoe vaak heb ik deze apostolische stijl van Christus zelf overwogen en anderen ter overweging gegeven: menselijk en goddelijk tegelijkertijd, geworteld in vriendschap en vertrouwen!

Haal even het gesprek met de Samaritaanse vrouw voor de geest. Wat is de manier van spreken van Christus wonderlijk! Hij weet de dingen zo te zeggen dat die vrouw, een zondares, een verkondigster van de waarheid wordt: Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! Zou Hij soms de Messias zijn? Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan. Echt waar, mijn zonen en dochters! De dialoog van Christus is geen vuurwerkspel, noch een banaal gesprek; het is een woord van waarheid dat je aansteekt en doet branden met een goddelijke vlam.

Jezus spreekt altijd met liefde. Hij heeft medelijden met de smart van de weduwe van Naïn, met de ellende van de melaatsen; vooral ontfermt Hij zich over de zondaars. [...] Maar Jezus weet ook veeleisend te zijn, Hij weet de mensen met hun plichten te confronteren, ook al loopt Hij het risico dat men niet langer naar Hem wil luisteren. Kijk hoe het hart van Jezus zich opstelt jegens de rijke jongeling die Hem een keer benaderde: Jezus kijkt naar hem met liefde, terwijl Hij hem vraagt afstand te doen van diens rijkdom. Die jonge man ging bedroefd weg, want het woord van God – als men het niet aanvaardt – wordt bitter als gal. [...]
Jezus wordt niet door valse voorzichtigheid bewogen, noch door de verkeerde fijngevoeligheid die ertoe brengt de scherpe kanten van de waarheid weg te werken. Hij gaat zelfs het gesprek met de Farizeeën aan, die hem naderden om Hem met Zijn eigen woorden aan te vallen. Maar Jezus aarzelt niet de waarheid te spreken, de dingen bij hun naam te noemen: Adderengebroed! – roept hij uit – hoe zouden er, slecht als gij zijt, uit uw mond goede woorden kunnen komen? Soms begint Hij zelf de dialoog, ook al wordt Hij niet ondervraagd; Jezus spreekt omdat Hij bij de mensen om Hem heen de behoefte aan goede leer opmerkt. Hij probeert hun kromme mentaliteit te verbeteren: Simon, ik moet je wat zeggen. Jezus beschouwt de dialoog niet als een toegeven dat afbreuk doet aan de waarheid.

Hij is bereid met iedereen te spreken, zelfs met diegene die de waarheid niet wil horen, zoals Pilatus: Ja, koning ben Ik. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem. Maar wanneer het juiste moment is aangebroken spreekt Hij zonder eufemismen, zelfs op een directe manier en soms handelt Hij zelfs op een harde manier: Hij maakte een gesel en dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen. Het kleingeld van de wisselaar veegde Hij van de tafels en wierp die omver.

Denk alsjeblieft niet dat onze Heer een God is, die gemakkelijk kwaad wordt. Hij is zachtmoedig en nederig van hart; maar Hij weet dat het hart van de mens soms zo hard als staal kan zijn, en dat het alleen in vuur kan smelten: het vuur van de liefde, het vuur van de waarheid, het vuur van de zending die men van de Vader heeft ontvangen. Daarom is de kleinste uiting van goede wil, of het verlangen om te kennen wat authentiek is, genoeg opdat Hij ons veelvuldig verlicht, zegent en prijst.”
Brief 24-10-1965, in Studi Cattolici 293/294, (1985)