Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

Advent

Tags: Advent
De Advent. Wat een mooie tijd om ons verlangen, ons hunkeren, ons uitzien naar de komst van Christus te vernieuwen; naar zijn dagelijkse komst in je ziel in de Eucharistie! De Kerk roept ons toe: Ecce veniet, Hij staat op het punt te komen!
De Smidse, 548

Wat zouden we ons eigenlijk geborgen moeten voelen in de barmhartigheid van de Heer! Hij zal mij roepen en ik zal hem horen, want Ik ben barmhartig. . Dat is een uitnodiging, een belofte die Hij niet onvervuld zal laten. Laat ons dus met vertrouwen opgaan naar de troon van de genade, om barmhartigheid te verkrijgen, en de hulp van de genade te vinden nu het nog tijd is . De vijanden van onze heiliging zijn tot onmacht gedoemd want de barmhartigheid van God verdedigt ons. En als wij door onze eigen schuld en zwakheid komen te vallen, dan komt de Heer ons te hulp en laat Hij ons opstaan. U had geleerd om uw plichten niet te verwaarlozen, om te vluchten voor aanmatiging, te groeien in vroomheid, om geen gevangene te zijn van wereldse aangelegenheden, om het eeuwige te verkiezen boven het voorbijgaande. Maar omdat de menselijke zwakte geen vaste tred kan houden in de zo glibberige wereld, heeft de goede Geneesheer u remedies voorgeschreven om niet te verdwalen en heeft de barmhartige Rechter u niet laten wanhopen aan vergiffenis .

Meer wilde ik er niet van zeggen op deze eerste zondag van de Advent, waarop we al de dagen tot aan de geboorte van de Verlosser beginnen te tellen. We hebben de werkelijkheid van onze christelijke roeping overdacht, hoe Onze Lieve Heer op ons heeft vertrouwd om andere zielen tot heiligheid te brengen, hen dichter bij hem te brengen, hen te verenigen met de Kerk en het Rijk van God uit te breiden tot alle harten. De Heer wil zien dat wij ons geven, dat wij trouw zijn, toegewijd, liefdevol. Hij wil dat we heilig zijn, helemaal van hem.
Als Christus nu lans komt, 11

Hoe naar God te luisteren?
Als we afgaan op de Heilige Schrift, zullen we zien, dat nederigheid een noodzakelijk vereiste is om God te kunnen horen. Wijsheid woont bij de nederigen (Spr 11, 2), leert het boek Spreuken. Nederigheid, dat is onszelf zien zoals we zijn, zonder iets te verhullen, onszelf naar waarheid bezien. En als we begrijpen dat we niets waard zijn, hebben we ons opengesteld voor de grootheid van God: onze grootheid.

Wat heeft onze lieve Vrouw, de heilige Moeder van God, het verhevenste schepsel onder alle schepsels die ooit hebben bestaan en ooit zullen bestaan, dat goed begrepen. Maria verheerlijkt de macht van de Heer die heersers hun troon heeft ontnomen, maar nederigen heeft verheven (Luc 1, 52). En zij zingt, dat het goddelijk raadsbesluit zich opnieuw in haar voltrokken heeft. In haar, daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd; en zie van heden af prijst elk geslacht mij zalig (Luc 1, 48).

In haar allerzuiverst hart wordt Maria een en al heiligheid in het zicht van de nederigheid van God: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht, heilig genoemd worden, Zoon van God (Luc 1, 35). De nederigheid van de heilige Maagd is het gevolg van de onpeilbare diepte aan genade die voortvloeit uit de Menswording van de Tweede Persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid in de schoot van zijn steeds Onbevlekte Moeder.
Vrienden van God, 98



"De vijanden" van de ziel
Vandaag begint de Advent. Het is goed, in deze tijd te overwegen welke strikken er gespannen worden door de vijanden van onze ziel: de zinnelijkheid en de lichtzinnigheid die wanorde scheppen in ons, de ziekelijke neiging van de rede als ze zich tegen de Heer verzet, de trotse verwaandheid die de liefde tot God en de schepselen onmogelijk maakt. Al die zielstoestanden vormen onoverkomelijke hinderpalen en hun kracht om de harmonie te verstoren is groot. Daarom laat de liturgie ons de goddelijke barmhartigheid afsmeken: Tot U verhef ik mijn ziel, o Jahwe, mijn God! Op U blijf ik hopen. Laat mij niet beschaamd worden en de vijand niet de spot met mij drijven (Ps. 24, 1-3). Zo hebben wij in het openingsgebed gevraagd. En in de antifoon van het Offertorium herhalen wij, op U hoop ik, Heer, moge ik niet beschaamd worden.

Nu het ogenblik van het Heil nadert, is het troostend uit de mond van Sint Paulus te horen dat toen de goedertierenheid en mensenliefde van God, onze Zaligmaker, zich had geopenbaard, Hij ons verlost heeft, niet op grond van gerechte werken die we hadden gedaan, doch op grond van zijn eigen barmhartigheid (Tit. 3, 4-5).
Als Christus nu langs komt, 7

Iedereen kan hoop hebben om gered te worden
Zoek de vereniging met God en wees vol hoop - dit is een deugd die zekerheid geeft - want Jezus zal je met het licht van zijn barmhartigheid bijstaan, ook in de donkerste nacht.
De Smidse, 293


Iesus Christus, Deus Homo, Jezus Christus, God-Mens, dat is een van de magnalia Dei, van de grote daden van God, die wij in dankbaarheid voor de Heer overwegen: voor de Heer die kwam om vrede op aarde te brengen aan de mensen van goede wil (Lc. 2, 14), aan alle mensen die hun wil gelijkvormig willen maken aan Gods Wil. Niet alleen aan de armen, niet alleen aan de rijken, maar aan alle mensen, aan alle broeders! Want wij zijn allen kinderen van God, broeders en zusters van Christus. Zijn Moeder is onze Moeder.
Als Christus nu langs komt, 13