HomeHeilige JozefmariaSpreken met GodDe roeping van de apostelen
Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

De roeping van de apostelen

Tags: Roeping, Apostolaat
In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden en bracht de nacht door in gebed tot God. Bij het aanbreken van de dag riep Hij Zijn leerlingen bij zich en koos er twaalf uit, aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, Mattheüs, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, Simon met de bijnaam ‘IJveraar’, Judas de broer van Jakobus en Judas Iskariot, die een verrader werd. (Lc 6,12-16)

“Die gedachte spoort me aan om iets wat in het Evangelie in details wordt verteld, nader te beschouwen: de roeping van de eerste twaalf. Wij willen daar rustig over nadenken en aan die heilige getuigen van de Heer vragen ons Christus te leren volgen zoals zij dat hebben gedaan.

Die eerste apostelen – ik heb voor hen een grote devotie en een grote genegenheid – waren naar menselijke maatstaven gemeten maar heel gewone mensen. Hun sociale status, met uitzondering van Mattheüs die zeker een goede boterham verdiende maar alles verliet toen Jezus hem riep, was die van vissers, die van de ene op de andere dag leefden en ’s nachts moesten zwoegen om in hun onderhoud te voorzien.

Maar hun sociale status is van minder belang: ze waren niet ontwikkeld en stonden niet open voor de bovennatuurlijke werkelijkheid. Ze begrepen zelfs niet de eenvoudigste voorbeelden en vergelijkingen, en ze moesten de Meester om uitleg vragen: Heer, verklaar ons de gelijkenis. Toen Jezus middels beeldspraak, een toespeling maakte op het zuurdeeg der Farizeeën, meenden ze dat Hij hun verweet geen brood te hebben gekocht. [...]

En hun geloof? Dat was eerder zwak! Jezus zelf zegt het. Ze hebben doden zien verrijzen, allerlei ziekten zien genezen, broden en vissen zien vermenigvuldigen, stormen zien bedaren en duivels zien uitdrijven en toch... Petrus was als hoofd gekozen, de enige die prompt kon antwoorden: Gij zijt Christus, de Zoon van de levende God. Maar dat was een geloof dat hij op zijn manier interpreteerde. Daarom nam hij de vrijheid zich te verzetten tegen Jezus, opdat Hij zich niet als Zoenoffer voor de mensen zou aanbieden.

En Jezus moest hem antwoorden: Weg van Mij, satan. Ge zijt Mij een ergernis. Want ge zijt niet bedacht op wat God wil, maar slechts op wat de mensen willen […].

Was het misschien zo dat deze mensen met zo weinig geloof zich tenminste door hun liefde voor Christus onderscheidden? Ongetwijfeld hielden ze van Hem, tenminste met woorden. Soms lieten ze zich door geestdrift meeslepen: Laten we gaan en met Hem sterven. Maar in het uur van de waarheid zijn ze allen gevlucht, behalve Johannes. Alleen hij, de jongste van de apostelen, bleef bij het Kruis. De anderen hadden niet die liefde, zo sterk als de dood.

Dat waren nu de door de Heer uitverkoren leerlingen! Zo had Christus ze gekozen. Zo traden ze op voordat ze, vervuld van de Heilige Geest, werden omgevormd tot steunpilaren van de Kerk. Gewone mensen met hun fouten, hun zwakheden, kwistiger met woorden dan met daden. En toch heeft Jezus ze geroepen om er mensenvissers van te maken, medeverlossers, uitdelers van Gods genade. Zo is het ook ons vergaan.”
Als Christus nu langs komt, 2