Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

De Hemelvaart

Tags: Evangelie, Jezus Christus, Apostolaat
De elf leerlingen nu begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had. Toen zij Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden. Jezus trad nader en sprak tot hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.’ (Hnd 1,8-9)

Christus is ten hemel opgestegen, maar ons heeft Hij de mogelijkheid nagelaten al het eerlijk menselijke te verlossen. […]. Daarom zal ik niet ophouden te herhalen dat de wereld geheiligd kan worden, en dat in het bijzonder ons christenen deze opdracht is toevertrouwd: de wereld te zuiveren van de zonde, waarmee wij mensen haar bezoedelen. Dan kunnen wij haar aan de Heer opdragen als een geestelijk offer, omdat ze dit door de genade van God en onze inspanning waardig is geworden. Strikt genomen kan men niet langer zeggen dat er dingen bestaan die, goed op zichzelf, toch uitsluitend profaan zouden zijn. Het Woord heeft namelijk zich gewaardigd een volledig menselijke natuur aan te nemen en de aarde te heiligen door zijn aanwezigheid en de arbeid van zijn handen. De grote opdracht die wij bij het Doopsel ontvingen is medeverlossers te zijn. De liefde van Christus dringt ons een deel van die goddelijke taak, namelijk de zielen te redden, op onze schouders te nemen.

[…] Wij hebben een grote taak voor de boeg. Maar afwachten zou verkeerd zijn omdat de Heer ons uitdrukkelijk zegt: Doet daar zaken mee tot Ik terug kom (Lc 19,13). Terwijl wij op de terugkomst van de Heer wachten, wanneer Hij bezit zal nemen van zijn Koninkrijk, mogen wij niet met de armen over elkaar blijven zitten. De verbreiding van het Koninkrijk Gods is niet alleen de officiële taak van de leden van de Kerk, die Christus vertegenwoordigen omdat zij van Hem de heilige volmachten ontvangen hebben. Ook gij zijt het lichaam van Christus (1 Kor 12,27), zo vermaant ons de Apostel, en wel met de concrete opdracht handel te drijven tot het einde toe.

Er is nog zoveel te doen. Is er gedurende twintig eeuwen dan niets gedaan? Er is zeer veel gedaan in die twintig eeuwen; het lijkt mij dan ook niet objectief, noch eerlijk, als ik zie, hoe misprijzend sommigen het werk van hun voorgangers beoordelen. Er is veel werk verricht in de loop van tweeduizend jaar, en vaak is het zelfs uitstekend gedaan. Andere keren zijn er vergissingen begaan, was er soms achteruitgang; vrees en schroom hebben niet ontbroken, dapperheid en edelmoedigheid echter evenmin, zoals ook nu. Maar de menselijke familie vernieuwt zich steeds weer. Daarom moet iedere generatie zich opnieuw ermee bezig houden de mens de grootheid van zijn roeping als kind van God bewust te maken, hem het gebod van de liefde tot Schepper en naaste in te prenten.”
Als Christus nu langs komt, 120-121

“Ik spreek nooit over politiek. De zending van de christen op aarde kan ik niet zien als de plicht om een politiek-religieuze stroming op te zetten; een dwaasheid, zelfs als het zou gebeuren met de prijzenswaardige bedoeling alle menselijke activiteiten met de geest van Christus te doordringen. Onze taak is, het hart van ieder wie hij ook is, te vervullen van Gods geest. Laten wij ons best doen iedere christen zo aan te spreken, dat hij, waar hij zich ook bevindt, [...] door voorbeeld en woord getuigenis aflegt van het geloof dat hij belijdt.

De christen leeft met het volste recht in de wereld, daar is hij mens voor. Als hij aanvaardt dat Christus in zijn hart woont en heerst, dan zal heel zijn menselijk doen doortrokken zijn van de verlossende kracht van de Heer. Het is van weinig belang of hij, zoals men zegt, een hoge of lage positie bekleedt. Wat hoog is voor de mensen kan laag zijn in Gods oog, en wat wij laag of nietig noemen kan een toppunt van heiligheid en dienstbaarheid zijn.”
Als Christus nu langs komt, 183