HomeHeilige JozefmariaSpreken met GodPreek op Christus Koning in 1970
Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

Preek op Christus Koning in 1970

Tags: Jezus Christus, Dienst, Apostolaat
Homilie gehouden op 22 november 1970 (feest van Christus Koning)

Het liturgisch jaar loopt ten einde en in deze heilige mis brengen wij opnieuw het offer aan God de Vader, dat Christus zelf is, koning van heiligheid en genade, koning van rechtvaardigheid, liefde en vrede, zoals wij over enkele ogenblikken zullen bidden in de prefatie (...regnum sanctitatis et gratiae; regnum iustitiae amoris et pacis). Als u de heilige menselijkheid van onze Heer overdenkt, zult u allemaal weer met overgrote vreugde vervuld worden, want deze koning heeft een hart van vlees als het onze. Hij, de schepper van hemel en aarde en van ieder schepsel, legt ons zijn heerschappij niet op, maar vraagt om een blijk van liefde door ons zwijgend de wonden van zijn handen te tonen.

Waarom kennen zoveel mensen Hem niet? Waarom moeten wij altijd die wrede afwijzing blijven horen: nolumus hunc regnare super nos (Lc. 19, 14), wij willen niet dat deze man koning over ons wordt? Er zijn op aarde miljoenen mensen die zich op deze wijze opstellen tegen Christus of tegen de wijze waarop Hij wordt verkondigd. Zij kennen Hem gewoonweg niet. Zij hebben de schoonheid van zijn gelaat niet gezien en zijn heerlijke leer heeft niemand hun geleerd.

Bij dit trieste schouwspel voel ik mij gedwongen om de Heer eerherstel te bieden. Als ik de onophoudelijke afwijzing bespeur, die meer metterdaad dan met woorden geschiedt, dan voel ik de behoefte om uit te roepen: oportet illum regnare! (1 Kor 15, 25). Hij moet koning zijn.

Het verzet tegen Jezus Christus

Veel mensen verdragen niet dat Christus heerst. Op duizend-en-één manieren verzetten ze zich tegen Hem, in hun opvattingen over de wereld en de menselijke samenleving, in hun zedelijke gedragslijn, in hun wetenschap en kunst. Verzet tot zelfs in het binnenste van de kerk toe! Ik bedoel niet, schrijft de heilige Augustinus, de ontaarden die tegen Christus godslasterlijke taal uitslaan. Inderdaad, het zijn er maar weinigen die God lasteren met de mond, maar het zijn er velen die Hem beledigen door hun daden (H. Augustinus, In Ioannis Evangelium tractatus 27, 11 [PL 35, 1621]).

Zelfs de uitdrukking Christus Koning hindert sommigen, alsof het rijk van Christus door die uitdrukking samen zou vallen met politieke inzichten, of omdat het belijden van het koningschap van Christus ertoe zou voeren tot het aanvaarden van een wet. En wetten dulden ze niet, zelfs niet het zoete voorschrift van de christelijke liefde. De liefde van God wijzen zij af, ze willen slechts hun eigen egoïsme dienen.

De Heer heeft mij ertoe gedreven om al vele jaren in mijzelf de stille kreet te herhalen: serviam! ik zal dienen. Moge Hij het verlangen naar overgave - eenvoudig, zonder rumoer of vertoon - en trouw aan zijn goddelijke oproep, in ons doen toenemen. Midden in de wereld, waar je ook gaat of staat. Laten wij Hem uit de grond van ons hart danken en als zijn onderdanen - zijn kinderen! - ons gebed tot Hem richten. Dan zullen onze tong en verhemelte met melk en honing worden verzadigd. Spreken over het rijk van God, het rijk van vrijheid, een vrijheid die Hij voor ons verdiend heeft (vgl. Gal. 4, 31), zal voor ons iets heerlijks worden.

Christus, Heer van de wereld
Laat ons nu bedenken, dat deze Christus, die wij in Betlehem als beminnelijk kind geboren zagen worden, tevens de Heer van de wereld is. Alle wezens in de hemel en op aarde zijn immers door Hem geschapen. Hij heeft alles met de Vader verzoend en de vrede tussen hemel en aarde hersteld door het bloed dat Hij op het kruis vergoten heeft (vgl. Kol. 1, 11-16). Nu heerst Christus aan de rechterhand van de Vader. Aan de onthutste leerlingen, die na de hemelvaart van de Heer naar de wolken bleven staren, bevestigden twee in het wit geklede engelen: Mannen van Galilea, waarom staart u naar de hemel? Deze Jezus, die u ten hemel hebt zien opstijgen, zal terugkomen op dezelfde wijze als u Hem hebt zien heengaan (Hand. 1, 11).

Door Hem heersen de koningen (vgl. Spr. 8, 15), met dat verschil dat koningen en menselijke gezagsdragers verdwijnen, terwijl het rijk van Christus in alle eeuwigheid zal duren (Ex. 15, 18). Zijn koninkrijk is een eeuwig koninkrijk en zijn heerschappij blijft van geslacht tot geslacht (Dan. 3, 33).

Christus koninkrijk is niet een wijze van spreken of een retorisch beeld. Christus leeft ook als mens voort met hetzelfde lichaam dat Hij bij de menswording heeft aangenomen en dat na de kruisdood verrezen is. Een lichaam dat verenigd met zijn menselijke ziel, verheerlijkt blijft voortbestaan in de persoon van het Woord. Christus, waarlijk God en waarlijk mens, leeft en heerst. Hij is de Heer van de wereld, Hij alleen houdt alles wat bestaat in stand.

Waarom verschijnt Hij nu dan niet in al zijn glorie? Omdat zijn rijk niet van deze wereld is (Joh. 18, 36), ook al is het in de wereld. Jezus had Pilatus geantwoord: Ik ben koning. Ik ben geboren en in de wereld gekomen, juist om te getuigen voor de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem (Joh. 18, 37). Ieder die van de Messias een zichtbare tijdelijke macht verwacht, vergist zich: Het koninkrijk van God bestaat niet uit spijs en drank, maar in gerechtigheid, vrede en vreugde in de heilige Geest (Rom. 14, 17).

Waarheid en gerechtigheid, vrede en vreugde in de heilige Geest, daarin bestaat het koninkrijk van Christus. Dat rijk bestaat uit het goddelijk handelen waardoor de mensen worden gered. Het zal zijn triomf bereiken op het eind van de geschiedenis, wanneer Jezus Christus, die zetelt in het paradijs, terugkeert om de mensen definitief te oordelen.

Als Christus zijn prediking op aarde begint, brengt Hij geen politiek programma, maar zegt Hij: doet boete, want het rijk der hemelen is nabij (Mt. 3, 2; 4, 17). Hij draagt zijn leerlingen op om deze blijde boodschap te verkondigen (vgl. Lc. 10, 9). Hij leert ons om in het gebed te vragen om de komst van dit koninkrijk (vgl. Mt. 6, 10). Het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid betekenen dat wij op de eerste plaats een heilig leven moeten nastreven (vgl. Mt. 6, 33), het enige wat echt belangrijk is (vgl. Lc. 10, 42).

Het heil dat door onze Heer Jezus Christus gepredikt wordt is een oproep aan allen gericht. Het is als de koning die een bruiloftsmaal gaf voor zijn zoon en zijn dienaren uitzond om de genodigden tot de bruiloft te roepen (Mt. 22, 2-3). Daarom openbaart de Heer ons: het rijk der hemelen is midden onder u (Lc. 17, 21).

Niemand is uitgesloten van het heil als hij zich volgzaam onderwerpt aan de liefdevolle eisen van Christus: herboren worden (vgl. Joh. 3, 5), als kleine kinderen worden in alle eenvoud van geest (vgl. Mc. 10 , 15; Mt. 18, 3; 5, 3), alles wat ons van God verwijdert, uit ons hart bannen (Waarlijk Ik zeg u dat het voor een rijke moeilijk zal zijn om het hemelrijk binnen te gaan. Mt. 19, 23). Jezus vraagt daden, niet alleen maar woorden (vgl. Mt. 7, 21). Hij wil een vastbesloten inzet, omdat slechts wie ervoor strijden, het eeuwig erfdeel zal bereiken (Het rijk der hemelen wordt bestormd met geweld en de bestormers nemen het weg. Mt. 11, 12).

De voltooiing van het Rijk, het definitieve oordeel over heil of verwerping, wordt niet hier beneden verkregen. Het koninkrijk is nu nog te vergelijken worden met wat in de natuur de zaaitijd (vgl. Mt. 13, 24) is, of met het opgroeien van het mosterdzaadje (vgl. Mt. 13, 31-32). Bij het einde der tijden zal het zijn als met een net dat op het strand getrokken wordt. Er vindt een scheiding plaats waarbij zij, die de gerechtigheid beoefend hebben, een ander lot ontvangen dan zij die in boosheid leefden (vgl. Mt. 13, 47-48). Zolang wij hier beneden leven is het koninkrijk als een zuurdesem dat door een vrouw met drie maten meel vermengd werd, totdat het meel geheel was gegist (vgl. Mt. 13, 33).

Wie begrijpt wat voor koninkrijk het is waarover Christus spreekt, geeft er zich rekenschap van dat het de moeite waard is alles op het spel te zetten om het te winnen. Het is de parel door de koopman verkregen door alles te verkopen wat hij bezat. Het is de schat die in de akker wordt gevonden (vgl. Mt. 13, 44-46). Het rijk der hemelen te verwerven, dat is moeilijk: niemand is er zeker van dat hij het verovert (vgl. Mt. 21, 43; 8, 12). Maar het nederige smeken van een berouwvolle mens bereikt dat de poorten van dit rijk wijd open gaan. Eén van de moordenaars, die met Jezus gekruisigd waren, smeekt Hem: Heer, denk aan mij als Gij in uw koninkrijk komt. En Jezus antwoordde hem: waarlijk, Ik zeg u, nog heden zult gij met mij zijn in het paradijs (Lc. 23, 42-43).

Het koninkrijk in de ziel
Hoe groot zijt Gij, onze Heer en onze God! Gij geeft aan ons leven een bovennatuurlijke betekenis en goddelijke resultaten. Dank zij u kunnen wij, uit liefde voor uw zoon, met alle kracht die in ons is, met ziel en lichaam herhalen: oportet illum regnare, Hij moet als koning heersen! Door die roep heen weerklinkt de klacht van onze zwakheid, want Gij weet dat wij schepselen zijn (en wat voor schepselen!) waarvan niet alleen de voeten (vgl. Dan. 2, 33), maar ook het hart en het hoofd van leem zijn. Met de hulp van uw genade willen wij ons uitsluitend voor u inzetten.

Christus moet voor alles heersen in onze ziel. Maar wat zouden wij Hem antwoorden als Hij ons vroeg: En jij, hoe laat jij mij in jou heersen? Ik zou Hem antwoorden dat ik een overvloed van zijn genade nodig heb, opdat Hij in mij heerst. Dan alleen zal alles, elke hartslag, elke ademtocht, zelfs elke oogopslag, ieder onbeduidend woord en elke meest eenvoudige gewaarwording veranderen in een hosanna voor mijn koning Christus.

Als wij willen dat Christus heerst, moeten wij consequent zijn en beginnen met Hem ons hart te schenken. Als wij dat niet doen, is praten over het koningschap van Christus zinloos gezwets zonder vaste christelijke inhoud. Een holle manifestatie van een geloof dat niet bestaat, een bedrieglijk gebruik van God's naam voor menselijke berekening.

Als Jezus alleen in mijn en uw ziel kon heersen op voorwaarde dat Hij in ons een volmaakt verblijf zou vinden, dan hadden we alle reden om te wanhopen. Maar vrees niet dochter van Sion, zie uw koning komt gezeten op het jong van een ezelin (Joh. 12, 15). Zie, hoe Jezus zich tevreden stelt met een arm dier als troon. Ik weet niet, hoe het met u gesteld is, maar mij vernedert het niet, dat ik mij als een ezel moet beschouwen in de ogen van de Heer. Gelijk een lastdier was ik in uw bijzijn, en ik ben altijd bij U. Gij houdt mijn rechterhand vast (Ps. 72, 23-24). Gij leidt mij bij de halster.

Let eens op de karakteristieke trekken van de ezel, tegenwoordig een uitstervende diersoort. Let niet op die oude ezel, dat koppige dier met zijn wrok, dat zich wreekt door een verraderlijk achteruit slaan. Maar let op het jonge dier dat zijn oren als voelhorens gespitst houdt, dat matig is in het eten, dat vasthoudend is bij het werk en dat blij voortdraaft met besliste pas. Veel dieren zijn mooier, handiger en sterker dan de ezel. Maar Christus heeft de ezel gekozen om zich als koning voor te stellen aan het jubelende volk. Jezus wendt zich af van berekenende sluwheid, van de wreedheid van kille harten en van opzichtige maar lege schoonheid. Onze Heer houdt van de blijdschap die heerst in een jong hart, van een eenvoudige manier van doen en laten, van een rustige en kordate wijze van spreken, van een open gezicht en een oor dat luistert naar Zijn liefdevol woord. Zo heerst Hij in de ziel.

Heersen door te dienen
Als wij Christus in onze ziel laten heersen, worden wij geen heersers maar dienaren van alle mensen. Dienen. Wat houd ik van dat woord! Mijn koning dienen en in Hem alle mensen die door zijn bloed zijn vrijgekocht. Als wij christenen eens echt zouden kunnen dienen! Laten wij ons besluit om te leren hoe te dienen, nu aan de Heer toevertrouwen. Want slechts door te dienen kunnen wij Christus kennen en liefhebben en Hem bekend en bemind maken.

Hoe kunnen wij Hem aan anderen tonen? Door ons voorbeeld. Laat ons van Jezus getuigen door Hem bij al ons doen en laten vrijwillig te dienen, want Hij is de Heer van ons leven. Hij de enige grond van ons bestaan. Als wij eerst met onze daden getuigenis van Hem hebben afgelegd, zullen wij ook in staat zijn om met onze woorden de leer van Christus door te geven. Zo deed Christus het ook zelf: coepit facere et docere (Hand. 1, 1). Eerst heeft Hij onderwezen door zijn werken en pas daarna door zijn goddelijke prediking.

Om anderen omwille van Christus te dienen, is vooral menselijkheid vereist. Als ons leven niet menselijk is, zal God er niets op bouwen. Want Hij bouwt gewoonlijk niet op wanorde, egoïsme en hoogmoed. Wij moeten begrip hebben voor allen, met iedereen kunnen omgaan, iedereen kunnen verontschuldigen, iedereen kunnen vergeven. Zeker, wij zeggen niet dat onrecht recht is, dat God beledigen geen belediging is of dat kwaad goed is. Maar kwaad zullen wij niet met kwaad vergelden, maar met goede daden en het doorgeven van de zuivere leer. Zo zullen wij het kwaad laten verstikken in een overvloed van goed (vgl. Rom. 12, 21). Dan zal Christus heersen in onze ziel en in de ziel van de mensen om ons heen.

Sommigen proberen de vrede in de wereld op te bouwen zonder de liefde van God in hun eigen hart te bezitten of zonder dat zij de anderen dienen uit liefde tot God. Hoe kan men op die manier vrede stichten? De vrede van Christus is die van het rijk van Christus, en het koninkrijk van onze Heer moet gevestigd zijn op het verlangen naar heiligheid, op een nederig openstaan voor de genade, op een moedige inzet voor gerechtigheid, op een goddelijke overmaat van liefde in ons.

Christus aan de top van de menselijke activiteiten
Dat is te verwezenlijken en niet zomaar een droom! Als de mensen maar wilden besluiten de liefde van God in hun hart te laten wonen! Christus onze Heer werd gekruisigd. Aan het kruis heeft Hij de wereld vrijgekocht door de vrede tussen God en de mensen te herstellen. Jezus Christus herinnert ons er allemaal aan: et ego si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad me ipsum (Joh. 12, 32). Wanneer ik van de aarde zal zijn opgestegen, zal ik alles tot Mij trekken. Als u mij aan het begin van al uw menselijk handelen plaatst, door uw plicht van ieder ogenblik te vervullen, door mijn getuigen te zijn in al wat groot en in wat klein lijkt, omnia traham ad meipsum, dan zal ik alles tot mij trekken. Dan zal mijn koninkrijk onder u werkelijkheid gaan worden!

Christus onze Heer wil ook nu het heil in alle mensen en in heel de schepping uitzaaien; in onze wereld die goed is omdat ze goed uit de hand van God voortkwam. Pas de zonde van Adam, de zonde van de menselijke eerzucht, heeft de goddelijke harmonie in al het geschapene verbroken.

Maar toen de volheid der tijden gekomen was, heeft God de Vader zijn enige Zoon gezonden. Door de inwerking van de heilige Geest heeft deze het vlees aangenomen in Maria, altijd maagd. Dat deed Hij om daarmede de vrede te herstellen en - door de mens vrij te kopen van de zonde - ons in staat te stellen deel te nemen aan het eigen leven van God: ut adoptionem filiorum reciperemus (Gal. 4, 5), opdat wij het kindschap van God zouden erven. Zo werd aan die nieuwe mens, die nieuwe tak der zonen van God (vgl. Rom. 6, 4-5), de kracht gegeven om heel het heelal te bevrijden van de wanorde door alles te herstellen in Christus (vgl. Ef. 1, 9-10), die alles met God heeft verzoend (vgl. Kol. 1, 20).

Daartoe zijn wij, christenen, geroepen, dit is onze apostolische taak, dit is het vuur dat onze ziel moet verteren: het koninkrijk van Christus verwezenlijken, haat en wreedheid doen verdwijnen, over de aarde de sterke en vredebrengende balsem van de liefde verspreiden. Laten wij vandaag onze koning smeken, dat Hij ons de nederige en vastbesloten wil verleent mee te werken aan dit goddelijke plan: samen te voegen wat verbroken is, te redden wat verloren ging, te ordenen wat de mens verward heeft, wat verdwaalde naar de rechte weg terug te voeren, de eendracht in heel de schepping te herstellen.

Het christelijk geloof omhelzen houdt in alles in de waagschaal stellen om de zending van Jezus op aarde voort te zetten. Ieder van ons moet een alter Christus, ipse Christus, een andere Christus, Christus zelf zijn. Alleen zó kunnen wij de grote, onmetelijke en onophoudende opgave op ons nemen: door van binnenuit alle tijdelijke structuren te heiligen en met de zuurdesem van de Verlossing te doordringen.

Ik spreek nooit over politiek. De taak van de christen op aarde kan ik niet zien als de plicht om een politiek-religieuze stroming op te zetten. Dat zou een dwaasheid zijn, zelfs als het zou gebeuren met de lofwaardige bedoeling alle menselijke activiteiten met de geest van Christus te doordringen. Onze taak is het hart van ieder, wie hij ook is, te vervullen met de geest van God. Laten wij ons best doen iedere christen zo aan te spreken dat hij, waar hij zich ook bevindt, door woord en daad getuigenis aflegt van het geloof dan hij belijdt. En dit onder omstandigheden die niet alleen afhangen van zijn positie in de kerk of maatschappij, maar ook van de steeds veranderende historische situaties.

De christen leeft met het volste recht in de wereld, daar is hij mens voor. Als hij aanvaardt dat Christus in zijn hart woont en heerst, dan zal heel zijn menselijk doen doortrokken zijn van de verlossende kracht van Jezus Christus. Het is van weinig belang of hij, zoals men zegt, een hoge of lage positie bekleedt. Wat hoog is in de ogen van mensen kan laag zijn in de ogen van God. En wat wij laag of nietig noemen kan - vanuit gelovig standpunt bezien - een grote mate van heiligheid en dienstbaarheid betekenen.

De persoonlijke vrijheid
Als hij handelt zoals hij moet handelen, dan mag de christen niet schipperen met, of te kort doen aan de eisen die aan zijn natuur eigen zijn. Als men met de uitdrukking: “de zegen moge rusten op ons menselijk handelen” de eigen dynamiek teniet wil doen of verdoezelen, dan weiger ik die woorden te gebruiken. Het heeft mij nooit aangestaan als gewone menselijke bezigheden voorzien werden van een vals uithangbord, een confessioneel etiket. Ofschoon ik een tegenovergestelde mening respecteer, meen ik dat men op die wijze de heilige naam van ons geloof lichtvaardig gebruikt. Bovendien moest het etiket “katholiek” soms dienen om houdingen of handelingen te rechtvaardigen die zelfs niet eerlijk menselijk waren.

Als de wereld en al wat ze omvat - behalve de zonde - goed is, omdat ze het werk is van God onze Heer, moet de christen zich, zij aan zij met al zijn medeburgers, wijden aan al wat aards is. Wel moet hij dat werk doen met een liefdevol hart, dat vermijden wil dat God wordt beledigd. De christen moet alle goede dingen, die voortvloeien uit de waardigheid van de menselijke persoon, verdedigen.

Wat hij altijd bijzonder moet verdedigen is de vrijheid van de persoon. Slechts als hij de persoonlijke vrijheid van de ander verdedigt, met de persoonlijke verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit, zal hij op dezelfde wijze, in menselijke en christelijke eerlijkheid, de zijne kunnen verdedigen. Ik herhaal en blijf herhalen dat de Heer ons zonder enige verdienste van onze kant een groot bovennatuurlijk geschenk gegeven heeft, namelijk de goddelijke genade en ook een heerlijk menselijk geschenk. Dat geschenk is de persoonlijke vrijheid die, om niet te veranderen in bederf en losbandigheid, van ons de nodige integriteit vereist. Dat betekent een doeltreffende persoonlijke inzet met respect voor de goddelijke wet, omdat daar waar de geest van God heerst, ook vrijheid heerst (2 Kor. 3, 17).

Het koninkrijk van Christus is het rijk van de vrijheid. In dat rijk zijn slechts liefdesslaven, die zich vrijwillig, uit liefde tot God hebben laten ketenen. Gezegende dienstbaarheid! Dienstbaarheid uit liefde, die ons bevrijdt! Zonder vrijheid kunnen wij niet aan de genade beantwoorden. Zonder vrijheid kunnen wij ons niet om de meest bovennatuurlijke reden - namelijk omdat wij het zo willen - aan de Heer geven.

Sommigen onder jullie kennen mij al vele jaren. Zij kunnen getuigen hoe ik heel mijn leven de persoonlijke vrijheid, verbonden met de persoonlijke verantwoordelijkheid, heb gepredikt. Ik heb haar gezocht en zoek haar nog zoals Diogenes naar een mens zocht. Ik stel er elke dag meer prijs op, ik ben er boven al het andere op aarde aan gehecht, want het is een schat die wij nooit genoeg kunnen waarderen.

Als ik spreek van persoonlijke vrijheid, dan doe ik dat niet om bedekte toespelingen te maken op andere problemen die misschien zeer legitiem zijn, maar mij als priester niet aangaan. Ik weet dat het niet mijn taak is te spreken over wereldlijke en tijdgebonden problemen. Onderwerpen die de Heer heeft overgelaten aan het vrije en zakelijke oordeel van de mensen. Ik weet ook dat de lippen van de priester die tot elke prijs de partijdigheid moeten vermijden, zich slechts mogen openen om de zielen naar God te leiden. Naar zijn verlossende geestelijke leer, naar de sacramenten die Jezus Christus heeft ingesteld, naar het innerlijk leven dat ons nader tot Hem brengt, wetende dat wij zijn zonen zijn, dus broeders van alle mensen zonder uitzondering.

Wij vieren vandaag het feest van Christus Koning. Ik overschrijd mijn taak als priester niet als ik zeg dat, wanneer iemand in het rijk van Christus een politiek programma ziet, hij de diepere zin van het bovennatuurlijke doel van het geloof niet heeft begrepen. Hij zou ertoe neigen om de gewetens lasten op te leggen die niet van Jezus zijn, wiens juk zacht is en wiens last licht (Mt. 11, 30). Laten we echt van alle mensen houden en vooral van Christus. Dan kunnen wij niet anders dan in een vredige en redelijke samenleving met de medemens de rechtmatige vrijheid ten volle waarderen.

Vreedzaam, kinderen van God
Misschien denkt u bij uzelf dat weinig mensen zoiets willen horen en nog minder dat zij het in praktijk willen brengen. Het is duidelijk dat de vrijheid een stevige en gezonde plant is, die moeilijk wortel schiet tussen stenen en doornen of op door de mensen platgelopen wegen (vgl. Lc. 8, 5-7). Dat is ons vóór de komst van Christus op aarde al aangekondigd.

Herinner u psalm 2: Waarom razen de volken, bluffen de naties? De koningen der aarde staan op, de vorsten spannen samen tegen de Heer en zijn Gezalfde (Ps. 2, 1-2). U ziet, er is niets nieuws. Men stond op tegen Christus nog vóór Hij geboren werd. Men verzette zich tegen Hem toen Hij vredelievend langs de wegen van Palestina ging. Daarna, vervolgde men Hem tot op de dag van vandaag, door leden van zijn mystiek lichaam te vervolgen. Waarom die haat? Waarom die onderdrukking van eenvoud en onschuld? Waarom wordt overal de vrijheid van geweten vertrapt?

Laten wij zijn ketenen verbreken en zijn juk afwerpen (Ps. 2, 3). Zij werpen het zoete juk af. Zijn last, de heerlijke last van heiligheid en rechtvaardigheid, van genade, liefde en vrede. De liefde maakt hen razend en ze spotten met de geweldloze goedheid van een God die ervan afziet om zich met zijn legioenen engelen te verdedigen (vgl. Joh. 18, 36; Mt. 26, 52-54). Als de Heer een compromis wilde sluiten, als Hij enkele onschuldigen wilde offeren om de schuldige meerderheid tegemoet te komen, dan zou men Hem nog wel een kans willen geven. Maar God handelt anders. Onze Vader is werkelijk vader en Hij staat klaar om duizenden hun kwaad te vergeven zelfs als er nog maar tien rechtvaardigen zijn (vgl. Gen. 18, 32). Wie zich door haat laten leiden, kunnen deze barmhartigheid niet begrijpen. De schijnbare straffeloosheid op aarde sterkt hen in hun gedachten van ongerechtigheid.

Die in de hemelen woont, lacht om hen, de Heer bespot hen. Dan dreigt Hij hen toornig, doet hen beven voor zijn gramschap (Ps. 2, 4-5). Hoe gewettigd is de toorn van God, hoe rechtvaardig zijn woede, en hoe groot ook zijn barmhartigheid!

Ik echter ben door Hem tot koning aangesteld op Sion, zijn heilige berg. Nu wil ik de beslissing van de Heer verkondigen. Hij heeft Mij gezegd: Gij zijt mijn zoon, Ik heb u heden verwekt (Ps. 2, 6-7). God de Vader heeft ons in zijn barmhartigheid zijn Zoon tot koning gegeven. Hij bedreigt en tegelijk is Hij zachtmoedig. Hij spreekt over zijn toorn en schenkt ons zijn liefde. Gij zijt mijn zoon; met die woorden wendt Hij zich tot Christus en tot u en mij, als wij besluiten om alter Christus, ipse Christus te zijn.

Ons spreken kan niet onder woorden brengen wat het hart ervaart bij de goedheid van God. Hij zegt ons: Gij zijt mijn zoon. Hij beschouwt ons niet als vreemdeling, niet als een dienaar die welwillend behandeld wordt, niet als vriend. Dit laatste zou al veel zijn. Hij beschouwt ons als zijn kind! Zelf effent Hij de weg voor ons opdat wij Hem met de liefde van een zoon benaderen, of - dat mag ik wel zeggen - met de schaamteloosheid van een zoon aan wie de vader niets kan weigeren.

Maar de velen - zou u kunnen opmerken - die hardnekkig in hun ongerechtigheid volharden? De Heer moedigt ons zelf aan met de woorden: vraag, en Ik geef u de volkeren tot erfdeel, en de grenzen der aarde tot uw bezit. Gij moogt hen besturen met ijzeren scepter en stuk slaan als een aarden pot (Ps. 2, 8-9). Dat zijn zwaarwegende beloften en ze komen van God zelf. Wij kunnen ze niet wegpoetsen. Christus wordt niet voor niets de verlosser van de wereld genoemd en zijn zetel staat aan de rechterhand van de Vader. Deze woorden bevatten een afschrikwekkende voorspelling van hetgeen ons na dit leven te wachten staat en één ding is zeker, dit leven gaat voorbij. Bovenvermelde woorden bevatten ook een aankondiging van wat ons te wachten staat op het einde der tijden indien ons hart is blijven steken in het kwaad en de vertwijfeling.

God, die steeds zou kunnen overwinnen, geeft er de voorkeur aan te overtuigen: Koningen, bedenkt u wel. Weest gewaarschuwd, wereldregeerders! Dient de Heer in vreze. Juicht Hem toe met ontzag. Als Hij in toorn zou ontsteken, want zijn gramschap kan plotseling ontsteken, zoudt ge omkomen (Ps. 2, 10-13). Christus is de Heer, de koning. En wij verkondigen u de goede boodschap, de belofte aan onze vaderen gedaan. God heeft die voor ons, zijn kinderen, in vervulling doen gaan. Hij heeft Jezus uit de dood doen opstaan. Zo staat het geschreven in psalm 2: Gij zijt mijn Zoon, Ik zelf heb u heden verwekt...

Weet het dus, broeders. Door Jezus is u de vergeving der zonden aangekondigd. De algehele rechtvaardiging die u niet hebt kunnen verkrijgen door de wet van Mozes, wordt door Hem toebedeeld aan ieder die gelooft. Pas dus op dat niet gebeurt wat door de profeten wordt gezegd: Hooghartigen, ziet toe, staat verbaasd en gaat te gronde. Want Ik ga in uw dagen een werk verrichten, een werk dat gij niet zoudt geloven, wanneer men het u zou vertellen
(Hand. 13, 32-33. 38-41).

Dat is het werk van het heil, het rijk van Christus in de zielen, de openbaring van de barmhartigheid van God. Gelukkig wie tot Hem hun toevlucht nemen (Ps. 2, 13). Wij christenen hebben het recht om het koningschap van Christus te verheerlijken, want, hoewel de ongerechtigheid massaal is en velen niets willen weten van dit rijk der liefde, het werk van de verlossing in de menselijke geschiedenis - toneel van het kwaad - gaat voorop.

Engelen van God
Ego cogito cogitationes pacis et non afflictionis (Jer. 29, 11), mijn gedachten zijn gedachten van vrede en niet van onheil, zegt de Heer. Laten we mensen zijn van vrede, mensen van gerechtigheid. Laten wij het goede doen en de Heer zal voor ons geen rechter zijn, maar een vriend, een broeder, de liefde van God.

Mogen de engelen van God ons vergezellen langs deze blijde weg op aarde. Vóór de geboorte van onze verlosser, zo schrijft de heilige Gregorius de Grote, hadden wij de vriendschap der engelen verloren. De erfzonde en onze zonden van iedere dag hadden ons verwijderd van hun stralende zuiverheid. Maar vanaf het ogenblik dat wij onze koning weer erkend hebben, hebben ook de engelen ons weer als medeburgers aangenomen.

En daar de hemelse koning mens heeft willen worden, trekken ze zich het lot van de mensen aan. Zij durven die menselijke natuur - die zij in de persoon van de hemelse koning aanbidden en boven hen verheven zien - niet meer te beschouwen als geringer dan de hunne. En zij hebben er geen bezwaar meer tegen in de mens een metgezel te zien
(H. Gregorius de Grote, In Evangelia homiliae, 8, 2 [PL 76, 1104]).

Maria, de heilige moeder van onze koning en de koningin van ons hart, zorgt voor ons zoals alleen zij het kan doen. Barmhartige moeder, troon van genade, wij vragen u ons te helpen om van ons leven en dat van hen die ons omringen een ongekunsteld lied te maken dat couplet na couplet de liefde zal bezingen, quasi flumen pacis (Jes. 66, 12; 48, 18), als een stroom van vrede. Want gij zijt een oceaan van oneindige barmhartigheid: alle stromen vloeien naar de zee, maar de zee loopt nooit vol (Pred. 1, 7).