Jozefmaria Escrivá. Stichter van het Opus Dei
 

Overvloed van licht

Tags:
“Wij worden ten volle menselijk, wanneer wij meer dan menselijk zijn, wanneer wij God toestaan ons boven onszelf uit te tillen, om ons meest ware wezen te bereiken. Daar ligt de bron van de evangeliserende activiteit. Immers, als iemand deze liefde die hem de zin van het leven teruggeeft, heeft aangenomen, hoe kan hij dan het verlangen bedwingen om het anderen mee te delen?” Met deze woorden van Evangelii gaudium (EG n.8) herinnert Paus Franciscus ons aan onze vergoddelijking, deze verheffing die ons als gave van God wordt gegeven. In Christus ontdekken we wie de menselijke persoon is, en de grootheid van zijn roeping (vgl. Gaudium et spes, 22). Vanuit de ontmoeting met Jezus ontstaat het verlangen deze vreugde met anderen te delen (vgl. EG 3). Franciscus nodigt ons uit “uit onze eigen gemakzucht te komen en de moed te hebben naar alle randgebieden te gaan die behoefte hebben aan het licht van het Evangelie” (EG 20).

De Paus nodigt ons dus uit “naar buiten te treden”, wat uitdrukt wat men in de Kerk oorspronkelijk met de termen “apostolaat” en “evangelisatie” heeft aangeduid: een handelwijze die o.a. gekenmerkt wordt door een absoluut respect voor de vrijheid en die niets te maken heeft met de negatieve opvatting – die vooral in de 20e eeuw is ontstaan – van het woord “proselitisme”. Dat geeft de Paus in nr. 14 aan als hij erop wijst dat “de Kerk niet groeit door proselitisme maar “door aantrekkingskracht”. In de leer van Christus wordt duidelijk elke houding uitgesloten die de vrijheid van de anderen niet respecteert en de waardigheid van de persoon ontkent. God wil écht bemind worden en dat veronderstelt een vrije keuze. Elke roeping is een liefdesgeschiedenis en een ontmoeting van twee vrije personen: God die roept en de mens die antwoordt.

De sleutel die een werkelijk christelijke houding typeert ligt in de Liefde. Paus Franciscus gebruikt woorden en evangelische gebaren die dit uitdrukken: “ik nodig uit” (EG 3, 18, 33, 108), “ik dring erop aan “(EG 3); hij spreekt van een “overstromend hart” (EG 5) en nodigt uit binnen te gaan “in deze stroom van vreugde” (EG 5) die de christelijke gemeenschap is; hij dringt erop aan geen onnodige voorwaarden te stellen om het doopsel of het sacrament van het vormsel te kunnen ontvangen.

“Binnengaan”. Jezus Christus wees de schriftgeleerden en farizeeën streng terecht: “Gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan” (Mt. 23,13). Binnen laten gaan, toelaten dat men binnengaat, uitnodigen om binnen te gaan: deze aantrekkingskracht is – zo heeft de H. Jozefmaria gezegd – “overvloed van licht”, menselijke sympathie, gebed en persoonlijk offer, aanwezigheid van Christus in de christen: “Echte liefde betekent dat je buiten jezelf treedt, dat je je geeft” (Christus komt langs, 43). Dat is de betekenis van het christelijk apostolaat, de oorspronkelijke, uit het jodendom overgenomen, betekenis van de term proselitisme, zoals die traditioneel in de Kerk is opgevat. Lacordaire gebruikte deze kernachtige formule: “Zoals er geen christen zonder liefde bestaat, zo is er ook geen christen zonder proselitisme”.

Het apostolaat van persoon tot persoon veronderstelt dat wij tijd aan onze naaste besteden en het bezit geen andere kracht dan die van het gebed, van het liefdevolle geduld, van het begrip, van de vriendschap, van de liefde voor de vrijheid. Het veronderstelt een uit zichzelf treden om zich om de anderen te bekommeren en met hen het meest ware, goede en schone te delen: onze christelijke roeping. Het “volg Mij” van Christus, verre van te dwingen, respecteert ieders vrijheid. Dat wordt triest genoeg meer dan duidelijk in de dialoog met de rijke jongeling. En vandaag de dag? Franciscus wijst erop dat ”juist nu wij meer behoefte hebben aan missionaire actie die de wereld zout en licht brengt, veel leken vrezen dat iemand hen uitnodigt om een of andere apostolische taak uit te voeren en dan proberen ze te ontkomen aan iedere inzet die hen van hun vrije tijd kan beroven” (EG 81).

Het licht van het Evangelie is “een licht dat aantrekt” (EG 100) want het is de wet van de liefde die ons uitnodigt het goede te doen (EG 100-101). Bij het zien van de goede werken van de christen wordt de naaste ertoe gebracht eer aan God te brengen (vgl. Mt. 5,16): de onuitsprekelijke liefde van God te ontdekken en te prijzen, die een goddelijk, niet gewoon menselijk licht is. In dit opzicht is het apostolaat – de heilige ijver voor de zielen – getuigenis geven van het licht, zoals de H. Johannes zegt (1,7), overvloedig licht geven, zonder de minste schaduw van dwang, zeer fijngevoelig, want God wil enkel liefde en handelt daarom met zachtmoedigheid: met kracht en welwillendheid (vgl. Wijsheid 8,1). Johannes Paulus II heeft in zijn Boodschap voor de 20e werelddag van gebed voor roepingen (2 februari 1983) gezegd: “Er mag geen enkele vrees bestaan om een jongere of minder jongere de roeping van de Heer rechtstreeks voor te stellen. Het is een daad van achting en van vertrouwen. Het kan een moment van licht en genade zijn.

We overwinnen onze mogelijke verlegenheid, die op een gebrek aan geloof en nederigheid zou kunnen wijzen, met het licht van Christus dat elke christen doorgeeft.

Welk licht? Benedictus XVI heeft zijn 1e encycliek met de volgende woorden afgesloten: “De liefde is een licht – uiteindelijk het enige – dat een duistere wereld steeds weer verlicht en ons de moed geeft om te leven en tot daden te komen. De liefde is mogelijk en wij kunnen haar beoefenen, omdat wij naar Gods beeld geschapen zijn. De liefde waarmaken en daardoor het Licht van God in de wereld binnenlaten” (Deus caritas est, 39). In volmaakte overeenstemming hiermee geeft Franciscus in zijn 1e encycliek aan dat “de stroom van liefde tussen de Vader en de Zoon in de H. Geest door onze geschiedenis is getrokken; Christus trekt ons tot zich om ons te redden (vgl. Joh. 12,32)” (Het licht van het geloof/Lumen fidei, 59).

Tegenover een verkeerd begrepen proselitisme, dat de persoon niet respecteert, vindt men een apostolaat, dat opgevat wordt als aantrekkingskracht, d.w.z. het transparante en respectvolle voorstel om zich edelmoedig aan God te geven – precies zoals de Paus ook bedoelt –, waarbij men zich volledig bewust is van de vrijheid en de waardigheid van de persoon, en wat maakt dat het hart van de christen in de goddelijke en menselijke liefde van Jezus deelt. Een hart dat zijn verlangens om de vreugde van het Evangelie door te geven niet kan inhouden.

+ Javier Echevarría
Prelaat van het Opus Dei


http://www.nl.josemariaescriva.info/artikel/overvloed-van-licht