Jozefmaria Escrivá. Stichter van het Opus Dei - Opus Dei: Leven en boodschap van de stichter, de heilige Jozefmaria Escrivá de Balaguer. Getuigenissen over het Opus Dei. Een weg naar heiligheid in werk en het leven van alledag. http://www.nl.josemariaescriva.info/ <![CDATA[Wie was Jozefmaria Escrivá, de stichter van het Opus Dei?]]> De heilige Jozefmaria Escrivá was een priester die in 1902 in Barbastro (Spanje) werd geboren. In 1928 stichtte hij het Opus Dei, een instelling binnen de Rooms Katholieke Kerk die tot doel heeft de universele roeping tot heiligheid door middel van werk en in het dagelijkse leven te verspreiden. De heilige Jozefmaria stierf in 1975 in Rome.

Op 6 oktober 2002 verklaarde Paus Johannes Paulus II hem heilig op het Sint Pietersplein in Rome voor een menigte van honderdduizenden mensen uit meer dan 80 landen.

]]>
<![CDATA[Jozefmaria Escrivá in Nederland]]> De nieuwe heilige reisde vanuit Rome door heel Europa om de vestiging van het Opus Dei voor te bereiden en te begeleiden. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog doorkruiste hij per auto diverse landen. “Wij hebben de straten van Europa geplaveid met weesgegroeten en liederen”, zei hij wel eens.

Van 1955 tot 1958 heeft hij driemaal Nederland bezocht, alvorens het eerste lid van het Opus Dei, de jonge priester Hermann Steinkamp, zich in 1959 in Amsterdam vestigde. Van deze reizen is niet veel bekend. Steinkamp: “Zijn eerste bezoek was in december 1955. Hij reisde per auto vanuit Rome door Zwitserland, Frankrijk en België naar Nederland. Later vertelde hij dat hij zich de aankomst in Amsterdam goed kon herinneren. Hij kwam in de late middag in de schemering met mist. Als buitenlander keek hij verbaasd naar een zee van lichtjes die door de straten zweefden: het bleken fietsers te zijn die in het spitsuur naar huis gingen.”

Op een van deze reizen bezocht hij ook de Onze Lieve Vrouwekerk aan de Keizersgracht. Steinkamp: “Hij kwam met zijn latere opvolger Álvaro del Portillo, die een afspraak had met een pater redemptorist in het naast de Onze Lieve Vrouwekerk gelegen klooster. De kerk heeft een zij-altaar met een beeldenreliëf van de stervende sint Jozef, die in zijn laatste ogenblikken wordt bijgestaan door Jezus en Maria. Dit in de kerkelijke kunst niet gebruikelijke tafereel beviel Escrivá. Hij bleef er een tijdje bij bidden. De pastorale zorg van de Onze Lieve Vrouwekerk is nu toevertrouwd aan priesters van het Opus Dei. Omdat de stichter er geweest is heeft de kerk extra betekenis voor ons.” Álvaro del Portillo heeft ook gesproken met mgr. Van Dodewaard, op dat moment coadjutor van Haarlem, die daarna de goedkeuring heeft gegeven voor de komst van het Opus Dei naar Amsterdam.


Vogels
De laatste keer dat Jozefmaria Escrivá Nederland aandeed was op 6 september 1961. Hij werd vergezeld door Álvaro del Portillo en door de huidige prelaat van het Opus Dei, Javier Echevarría. Ze bezochten het pas gehuurde Leidenhoven, een pand in de Amsterdamse Roemer Visscherstraat, waar een maand daarvoor de eerste drie leden van het Opus Dei in Nederland waren ingetrokken. Steinkamp: “Het huis was in verbouwing en ook door het ontbreken van meubilair konden we de stichter geen fatsoenlijke ontvangst bieden. Hij zei echter dat hij voor de vogels was gekomen en niet voor de kooi. We konden de gasten alleen wat limonade aanbieden die we schonken in oude bekers en kopjes zonder oren. Bij het zien van deze toestand wilde de stichter dat we met hem gingen eten in een goed restaurant. We kozen voor Dikker & Thijs, op de hoek Prinsengracht-Leidsestraat. Hijzelf at bijna niets, maar hij genoot er zichtbaar van dat wij sinds lange tijd weer van een goede maaltijd konden genieten.”

Volgens Steinkamp was Escrivá die laatste keer vooral gekomen om de eerste leden een hart onder de riem te steken: “Alle begin is moeilijk. Het rijke Roomse leven straalde nog pracht en praal uit. Van een collega-priester kreeg ik te horen: ‘Wat kom je hier eigenlijk doen? We hebben hier alles al.’ Door een wijd verbreid klerikalisme werd de seculiere geest van het Opus Dei niet door iedereen begrepen. Escrivá moedigde ons aan met geduld door te werken. Hij herinnerde ons eraan dat Nederland in het recente verleden in absolute getallen de meeste missionarissen aan de Kerk had gegeven.”


Nederlandse bisschoppen
Gedurende het Tweede Vaticaans Concilie heeft de stichter in Rome kennisgemaakt met honderden concilievaders, onder wie mgr. Van Doodewaard, de toenmalige bisschop van Haarlem. De opvolger van Escrivá, Álvaro del Portillo, heeft gesproken met kardinaal Alfrink. Over de concrete inhoud van deze gesprekken is niets bekend. De Weense kardinaal König vertelde onlangs in een interview: “Ik heb de zalige Escrivá in Rome leren kennen tijdens het Tweede Vaticaans Concilie. Men had mij gezegd dat hij de rol van de leken in het dagelijkse leven, in de beroepen, stimuleerde om zo te bereiken dat de Kerk in de wereld aanwezig zou zijn door de leken en niet door de priesterboord of de bisschoppelijke sjerp. Het was een man die naar mijn mening een grootsheid van geest uitstraalde. Hij interesseerde zich voor het Concilie, ik wist dat hij veel reisde en dat hij zeer geïnteresseerd was in het apostolaat van de leken. Hij sprak veel over wat er in de hele wereld gebeurde en al snel realiseerde ik me dat hier sprake was van een Kerk die leefde. Wat Escrivá toen verkondigde was een absolute nieuwigheid. Maar ondanks het feit dat deze ideeën nu in de documenten van het Leergezag van de Kerk staan, verloopt het ontvangen van deze boodschap nog langzaam. Zoals altijd wanneer er iets nieuws opkomt, ontstaat er een zekere terughoudendheid.”

Toen kardinaal Alfrink in 1972 toestemming gaf voor de start van het Opus Dei in het aartsbisdom Utrecht schreef hij: Crescat opus ad Dei gloriam et hominum salutem - dat het mag groeien tot eer van God en heil van de mensen.
]]>
<![CDATA[De Weg]]> “Lees deze raadgevingen langzaam. Overweeg deze beschouwingen op je gemak. Het zijn dingen die ik je in vertrouwen in het oor fluister, als een vriend, als een broer, als een vader. Bij deze vertrouwelijke gesprekken luistert God mee. Ik wil alleen maar herinneringen in je wakker roepen en gedachten opwekken die je treffen, opdat je je leven betert en wegen inslaat van gebed en Liefde. Zo zul je een mens worden met een gezond oordeel”.

Zo leidt de auteur De Weg in, zijn meest bekende boek. De Weg verschijnt voor het eerst in 1934 met de titel Geestelijke overwegingen. In de volgende druk, in 1939, krijgt het boek, dat aanzienlijk is uitgebreid, zijn definitieve titel.

De Weg bestaat uit 999 punten ter overweging. Het aantal is geïnspireerd door Jozefmaria’s devotie tot de Heilige Drie-eenheid. De 999 punten raken veel aspecten van het christelijk leven: het karakter, het apostolaat, het gebed, de arbeid en de deugden.

“Een groot deel van dat boek”, aldus de auteur in een interview met Le Figaro in 1966, “heb ik geschreven als samenvatting van mijn ervaring als priester geschreven in 1934, bestemd voor alle mensen met wie ik in aanraking kwam, of ze nu wel of geen lid van het Opus Dei waren. […] De Weg moet je met een minimum aan bovennatuurlijke visie, aan innerlijk leven en apostolische ijver lezen. Het is geen handleiding voor christelijke actie. Het is bedoeld als een boek dat de mensen inspireert om God te beminnen, om meer met Hem om te gaan en om alle mensen te dienen".

De Weg is een echte long seller van de geestelijke literatuur en kan als een klassieker beschouwd worden. Vier en half miljoen exemplaren in vierenveertig talen zijn er reeds van verkocht. In 2002 is er een kritisch-historische uitgave uitgekomen.


Lees het boek on-line op www.escrivaworks.nl.
Het boek is verkrijgbaar bij Stichting de Boog; www.deboog.nl.]]>
<![CDATA[De sociale betrokkenheid van Jozefmaria]]> Het gezin als leerschool
Jozefmaria Escrivá leerde al in zijn jonge jaren oog te hebben voor minder bedeelden in de samenleving. Zijn ouders hadden de gewoonte, zoals in vele andere dorpen en steden, op een vaste dag in de week een aalmoes te geven: “Don José was een gulle gever van aalmoezen; elke zaterdag vormde zich een lange rij armen voor zijn huis om een aalmoes te vragen; er was altijd voor iedereen iets”. In het hart van de kleine Jozefmaria bleef een diepe indruk achter van een zigeunerin die niet zoals de anderen op zaterdag, maar op een andere dag van de week bij zijn moeder aanklopte.

Ook op andere momenten deed de jonge Jozefmaria ervaring op: als zij naar de Mis gingen op zon- en feestdagen gaf zijn vader hem geld om het aan de bedelaars bij de deur van de kathedraal te geven
A. Vázques de Prada, El Fundador del Opus Dei, deel I, blz. 35 en 36, Rialp, Madrid 1997).


Onder de zieken en armen in Madrid
Als jonge priester besteedde Jozefmaria veel tijd aan het begeleiden van zieke en stervende mensen in de ziekenhuizen van Madrid. Er was grote armoede en veel leed. De antibiotica bijvoorbeeld waren toen nog niet uitgevonden. Hij vroeg de zieken hun lijden op te dragen en gaf hen menselijke en bovennatuurlijke steun. Zijn hele leven was een uiting van deze geest van liefde.
“Dit beeld staat in mijn ziel gegrift: De Vader, geknield bij een zieke die op een armoedige strozak op de grond ligt. Hij probeert hem moed in te spreken met woorden die hoop en troost kunnen geven… Dit beeld blijft mij bij: De Vader, geknield naast het bed van mensen die gaan sterven, die hij troost en die hij over God spreekt”
J.M.Cejas, Jose María Somoano en los comienzos del Opus Dei blz. 95, Herrero Fontana, Rialp, Madrid 1995).


Jozefmaria en Afrika
Een groot hart hebben
“Het is niet zo dat wij een hart hebben om God te beminnen, en een ander hart om de mensen te beminnen: ons arme hart, van vlees en bloed, bemint met een menselijke en als het verenigd is met de liefde van Christus, ook met een bovennatuurlijke genegenheid. Dat, en niets anders dan dat, is de liefde die wij in onze ziel tot ontwikkeling moeten brengen” Vrienden van God, nr. 229.

Afrika staat bekend om zijn grote menselijke tragedies: miljoenen vluchtelingen, een enorme verspreiding van AIDS, onophoudelijk oorlogen vooral in de regio’s die in de tropen liggen.

Mgr. Javier Echevarría, prelaat van het Opus Dei, zei op 3 oktober 2002 in een interview met Federico Mandillo voor Missionary Service News Agency: “Het belangrijkste werk van de prelatuur is dat van de individuele leden, dat wat ieder van hen, met persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid, binnen zijn of haar mogelijkheden doet. De Afrikaanse leden – Goddank zijn dat er intussen enkele duizenden – spannen zich, net als de leden uit andere delen van de wereld, in de eerste plaats in om hun geloof consequent te beleven. Dit brengt hen ertoe samen met vrienden en collega’s projecten op te zetten om de geestelijke en materiële nood in hun land te lenigen. Zij lijden onder de problemen van AIDS, armoede, tribale rivaliteiten en trachten die op te lossen. Als christenen voelen zij zich midden in de wereld, juist in die wereld met haar licht- en schaduwkanten, geroepen om iets te ondernemen.

Ik heb met de heilige Jozefmaria Escrivá een voorval meegemaakt dat illustratief is: Het gebeurde in Kenia in de jaren 50, vlak voor de onafhankelijkheid. Enkele vrouwen van het Opus Dei besloten een school voor secretaresses te beginnen. De stichter van het Opus Dei, die alleen bij projecten werd betrokken als dat nodig was, stelde één voorwaarde: de school moest zonder enig onderscheid openstaan voor leerlingen van alle rassen, geloofsovertuigingen en stammen. Het was een besluit zonder precedenten. Alelrlei vooroordelen en barrières moesten worden overwonnen. De initiatiefneemsters hielden voet bij stuk en wat onmogelijk leek werd werkelijkheid. Na een korte tijd is gebleken dat het samen leven van personen van uiteenlopende rassen en geloofsopvattingen niet alleen een mogelijk, maar een noodzakelijk middel is tegen onverdraagzaamheid”.


Op 6 oktober 2002 is het solidariteitsfonds Harambee van start gegaan. Aanleiding was de dankbaarheid voor de heiligverklaring van Jozefmaria Escrivá met anderen te delen. Sindsdien zijn er 28 projecten in 14 verschillende landen uitgevoerd. In dit tweede lustrum steunt Harambee vijf onderwijsprojecten van sub Sahara Afrika.
]]>
<![CDATA[Overvloed van licht]]> “Wij worden ten volle menselijk, wanneer wij meer dan menselijk zijn, wanneer wij God toestaan ons boven onszelf uit te tillen, om ons meest ware wezen te bereiken. Daar ligt de bron van de evangeliserende activiteit. Immers, als iemand deze liefde die hem de zin van het leven teruggeeft, heeft aangenomen, hoe kan hij dan het verlangen bedwingen om het anderen mee te delen?” Met deze woorden van Evangelii gaudium (EG n.8) herinnert Paus Franciscus ons aan onze vergoddelijking, deze verheffing die ons als gave van God wordt gegeven. In Christus ontdekken we wie de menselijke persoon is, en de grootheid van zijn roeping (vgl. Gaudium et spes, 22). Vanuit de ontmoeting met Jezus ontstaat het verlangen deze vreugde met anderen te delen (vgl. EG 3). Franciscus nodigt ons uit “uit onze eigen gemakzucht te komen en de moed te hebben naar alle randgebieden te gaan die behoefte hebben aan het licht van het Evangelie” (EG 20).

De Paus nodigt ons dus uit “naar buiten te treden”, wat uitdrukt wat men in de Kerk oorspronkelijk met de termen “apostolaat” en “evangelisatie” heeft aangeduid: een handelwijze die o.a. gekenmerkt wordt door een absoluut respect voor de vrijheid en die niets te maken heeft met de negatieve opvatting – die vooral in de 20e eeuw is ontstaan – van het woord “proselitisme”. Dat geeft de Paus in nr. 14 aan als hij erop wijst dat “de Kerk niet groeit door proselitisme maar “door aantrekkingskracht”. In de leer van Christus wordt duidelijk elke houding uitgesloten die de vrijheid van de anderen niet respecteert en de waardigheid van de persoon ontkent. God wil écht bemind worden en dat veronderstelt een vrije keuze. Elke roeping is een liefdesgeschiedenis en een ontmoeting van twee vrije personen: God die roept en de mens die antwoordt.

De sleutel die een werkelijk christelijke houding typeert ligt in de Liefde. Paus Franciscus gebruikt woorden en evangelische gebaren die dit uitdrukken: “ik nodig uit” (EG 3, 18, 33, 108), “ik dring erop aan “(EG 3); hij spreekt van een “overstromend hart” (EG 5) en nodigt uit binnen te gaan “in deze stroom van vreugde” (EG 5) die de christelijke gemeenschap is; hij dringt erop aan geen onnodige voorwaarden te stellen om het doopsel of het sacrament van het vormsel te kunnen ontvangen.

“Binnengaan”. Jezus Christus wees de schriftgeleerden en farizeeën streng terecht: “Gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan” (Mt. 23,13). Binnen laten gaan, toelaten dat men binnengaat, uitnodigen om binnen te gaan: deze aantrekkingskracht is – zo heeft de H. Jozefmaria gezegd – “overvloed van licht”, menselijke sympathie, gebed en persoonlijk offer, aanwezigheid van Christus in de christen: “Echte liefde betekent dat je buiten jezelf treedt, dat je je geeft” (Christus komt langs, 43). Dat is de betekenis van het christelijk apostolaat, de oorspronkelijke, uit het jodendom overgenomen, betekenis van de term proselitisme, zoals die traditioneel in de Kerk is opgevat. Lacordaire gebruikte deze kernachtige formule: “Zoals er geen christen zonder liefde bestaat, zo is er ook geen christen zonder proselitisme”.

Het apostolaat van persoon tot persoon veronderstelt dat wij tijd aan onze naaste besteden en het bezit geen andere kracht dan die van het gebed, van het liefdevolle geduld, van het begrip, van de vriendschap, van de liefde voor de vrijheid. Het veronderstelt een uit zichzelf treden om zich om de anderen te bekommeren en met hen het meest ware, goede en schone te delen: onze christelijke roeping. Het “volg Mij” van Christus, verre van te dwingen, respecteert ieders vrijheid. Dat wordt triest genoeg meer dan duidelijk in de dialoog met de rijke jongeling. En vandaag de dag? Franciscus wijst erop dat ”juist nu wij meer behoefte hebben aan missionaire actie die de wereld zout en licht brengt, veel leken vrezen dat iemand hen uitnodigt om een of andere apostolische taak uit te voeren en dan proberen ze te ontkomen aan iedere inzet die hen van hun vrije tijd kan beroven” (EG 81).

Het licht van het Evangelie is “een licht dat aantrekt” (EG 100) want het is de wet van de liefde die ons uitnodigt het goede te doen (EG 100-101). Bij het zien van de goede werken van de christen wordt de naaste ertoe gebracht eer aan God te brengen (vgl. Mt. 5,16): de onuitsprekelijke liefde van God te ontdekken en te prijzen, die een goddelijk, niet gewoon menselijk licht is. In dit opzicht is het apostolaat – de heilige ijver voor de zielen – getuigenis geven van het licht, zoals de H. Johannes zegt (1,7), overvloedig licht geven, zonder de minste schaduw van dwang, zeer fijngevoelig, want God wil enkel liefde en handelt daarom met zachtmoedigheid: met kracht en welwillendheid (vgl. Wijsheid 8,1). Johannes Paulus II heeft in zijn Boodschap voor de 20e werelddag van gebed voor roepingen (2 februari 1983) gezegd: “Er mag geen enkele vrees bestaan om een jongere of minder jongere de roeping van de Heer rechtstreeks voor te stellen. Het is een daad van achting en van vertrouwen. Het kan een moment van licht en genade zijn.

We overwinnen onze mogelijke verlegenheid, die op een gebrek aan geloof en nederigheid zou kunnen wijzen, met het licht van Christus dat elke christen doorgeeft.

Welk licht? Benedictus XVI heeft zijn 1e encycliek met de volgende woorden afgesloten: “De liefde is een licht – uiteindelijk het enige – dat een duistere wereld steeds weer verlicht en ons de moed geeft om te leven en tot daden te komen. De liefde is mogelijk en wij kunnen haar beoefenen, omdat wij naar Gods beeld geschapen zijn. De liefde waarmaken en daardoor het Licht van God in de wereld binnenlaten” (Deus caritas est, 39). In volmaakte overeenstemming hiermee geeft Franciscus in zijn 1e encycliek aan dat “de stroom van liefde tussen de Vader en de Zoon in de H. Geest door onze geschiedenis is getrokken; Christus trekt ons tot zich om ons te redden (vgl. Joh. 12,32)” (Het licht van het geloof/Lumen fidei, 59).

Tegenover een verkeerd begrepen proselitisme, dat de persoon niet respecteert, vindt men een apostolaat, dat opgevat wordt als aantrekkingskracht, d.w.z. het transparante en respectvolle voorstel om zich edelmoedig aan God te geven – precies zoals de Paus ook bedoelt –, waarbij men zich volledig bewust is van de vrijheid en de waardigheid van de persoon, en wat maakt dat het hart van de christen in de goddelijke en menselijke liefde van Jezus deelt. Een hart dat zijn verlangens om de vreugde van het Evangelie door te geven niet kan inhouden.

+ Javier Echevarría
Prelaat van het Opus Dei
]]>
<![CDATA[Wat kan ik doen voor de vrede?]]> Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. Zaligsprekingen, Mt.5, 1-12 De Heer verlangt van zijn kinderen, dat ze alle eerzame wegen op aarde gaan en daar het zaad uitstrooien van begrip, van vergeving, van een harmonieuze samenleving, van liefde, van vrede. Jij, wat doe jij daaraan? De Smidse, 373]]> <![CDATA[Anderen gelukkig maken]]> Je vraagt wat je zou kunnen doen voor een vriend die zich alleen voelt. Ik zal zeggen wat ik altijd zeg: bidden. ]]> <![CDATA[Tijd: een kostbare schat]]> We hebben geen seconde te verliezen. Ik overdrijf niet: er is werk te doen; de wereld is groot en er zijn nog miljoenen zielen die de leer van Christus nog niet duidelijk hebben horen verkondigen.]]> <![CDATA[Vrijgevigheid, Engels ondertiteld]]> Argentinië, 1974. De H. Jozefmaria werd gevraagd; "Hoe kunnen we anderen helpen om edelmoedig met geld te zijn?"]]> <![CDATA[Het verhaal achter het mozaïek-St. Pietersplein.]]> "Holy Father, this square is incomplete: I look and see so many saints... Every saint is there, and I haven't found a single statue of Our Lady to preside over the square." "Bene, bene, fine, then the square will need to be completed," said the Pope.]]> <![CDATA[Roland Joffé "There be dragons"]]> Roland Joffe explains what is the movie about]]> <![CDATA[De Heilige Mis]]> Vader, is het moeilijk alle belang aan de Mis te geven die ze verdient?]]>